- Ik stop en bedenk een alternatief - van iets anders maken we een "nieuwe".
- Ik zoek de schuldige – wie had dat moeten controleren?
- Ik stel voor dat we het per post naar elkaar opsturen.
- Ik leg de situatie aan het kind uit, zodat het leert omgaan met de realiteit.
- Ik voel verdriet om hem, maar ik maak me er niet druk om.