- Ik probeer alles op tijd te doen en ik heb paniek.
- Ik wil niet weggaan, ik ben bang voor wat er gaat gebeuren.
- Ik kijk ernaar uit, maar ik ben veel details aan het oplossen.
- Ik wil mijn vakantie annuleren of verkorten.
- Ik begin eindelijk in de juiste stemming te komen.