- Ik ga naast hem zitten en laat hem stromen - gewoon zo.
- Ik vraag me af of ik het zou kunnen overslaan.
- In gedachten maak ik een foto van hem - dat beeld fascineert me.
- Ik begin te plannen waar het naartoe zou kunnen gaan.
- Ik geef er geen aandacht aan – ik haast me verder.