- Ik begin redenen te verzinnen waarom ik het niet kan.
- Ik schrik en weiger, ook al heb ik daar later spijt van.
- Ik twijfel en heb tijd nodig om een beslissing te nemen.
- Ik raak enthousiast, maar tegelijkertijd betwijfel ik mijn vaardigheden.
- Ik zeg ja en dan denk ik na over hoe ik het ga doen.