Stel je voor dat je voor drie wegen staat. De ene leidt naar een dicht bos, de tweede naar een drukke stad, de derde naar een onbekende berg. Waarheen trekt het je?

  • Het bos - iets stil en dieps roept me.
  • Naar de stad - ik moet beweging en mogelijkheden voelen.
  • De bergen in – ik zoek een uitdaging en uitzicht van hoogte.
  • Ik sta en aarzel – ik wil me eerst oriënteren.
  • Ik omze ze en ga mijn eigen weg.

Ik zoek de richting. Maar hoe weet ik waar ik heen moet? Beginnen →