- Ik maak een kopje koffie en kijk er een tijdje naar.
- Ik zal om haar heen rennen, zodat ik haar beter leer kennen.
- Ik begin te klimmen, ook al weet ik niet precies waarheen.
- Ik zal iemand bellen die het al heeft gedaan.
- Ik vraag me af of ik daar überhaupt naartoe moet gaan.