- Ik steek een kaars aan en creëer een sfeer.
- Ik controleer of alles in orde is met de anderen.
- Een moment zit ik in stilte - misschien komt er iets bij me op.
- Ik begin te improviseren - we spelen schaduwspel met de kinderen.
- Ik probeer snel het systeem te herstellen dat is mislukt.