- Ik vraag hem wat er is gebeurd en of ik kan helpen.
- Ik geef hem een grappige bijnaam zodat hij lacht.
- Ik laat het zo, hij kan het zeker zelf.
- Ik breng hem iets wat hij leuk vindt, zodat hij zich beter voelt.
- Ik begin over iets anders te praten, zodat hij het vergeet.