- Hij heeft er geen zin in, het is een luie dag.
- Misschien is er daar iets gebeurd - ik ga op onderzoek uit.
- Ik vraag me af of ik hem/haar niet te veel heb onder druk gezet.
- Ik voel woede - school is verplicht en je moet erheen gaan.
- Het maakt me ongerust - ik denk na over wat hij nodig heeft en ik kan het niet verwoorden.