Een kind vertelt dat het schoenen heeft bedacht waarmee je over het plafond kunt lopen, een schoolbank die opdrachten zelf uitlegt of een voertuig dat van vorm verandert naargelang het terrein. Volwassenen reageren vaak praktisch: ‘Dat kan niet.’ Maar zo kan een creatieve opdracht al eindigen voordat die goed en wel begonnen is. Stel liever een andere vraag: welk probleem moet dit idee oplossen en wat moet het kunnen om bruikbaar te zijn?
Kinderen van 10 tot 12 jaar kunnen niet alleen fantaseren, maar ook mogelijkheden vergelijken, uitleggen waarvoor iets dient en een ontwerp aanpassen aan de omstandigheden. Creativiteit hoeft dus niet te blijven steken in het bedenken van iets ongewoons. Kinderen kunnen ook leren ideeën te ontwikkelen met een duidelijke functie, gebruiker en reden van bestaan.
Fantasie en bruikbaarheid sluiten elkaar niet uit
Een creatief idee kan gedurfd én doordacht zijn. Een vliegend voertuig is misschien niet realistisch met de mogelijkheden van vandaag, maar een kind kan wel onderzoeken in welke behoefte het zou voorzien. Moet het reizen sneller maken, plekken zonder wegen bereikbaar maken of files verminderen?
Door de behoefte centraal te stellen, verandert een idee van een plaatje in een mogelijke oplossing. Fantasie levert mogelijkheden op; vragen geven die richting.
Begin met een probleem, niet met een voorwerp
Bij de opdracht ‘bedenk een nieuw voorwerp voor school’ kan een kind willekeurig technologieën gaan combineren. Dat kan een prima eerste stap zijn, maar daarna kun je de opdracht gerichter maken.
Vraag eerst naar situaties die onhandig, tijdrovend of vervelend zijn:
- Waar moet op school onnodig lang naar worden gezocht?
- Waar maken leerlingen vaak fouten bij?
- Wat is lastig om mee te nemen, te organiseren of uit te leggen?
- Wat kan eenvoudiger voor zowel de leerkracht als de leerling?
- Welke alledaagse activiteit kan op een andere manier?
Vanuit één concreet probleem kunnen meerdere oplossingen ontstaan. Zo ontdekt een kind dat creativiteit niet alleen begint met de vraag ‘wat zal ik nieuws bedenken?’, maar ook met ‘wat kan beter?’
Help je kind de gebruiker te bepalen
Dezelfde uitvinding is niet voor iedereen geschikt. Een hulpmiddel voor een kind in groep 3 stelt misschien andere eisen dan een hulpmiddel voor een leerkracht. Een vervoermiddel voor de stad moet aan andere omstandigheden voldoen dan een vervoermiddel voor het bos.
Een eenvoudige zin kan helpen: ‘Dit is bedoeld voor iemand die…’ Laat je kind daarna aanvullen wat de gebruiker nodig heeft, wat lastig is en wat eenvoudig moet zijn.
| Vraag | Wat wordt ermee duidelijk? |
|---|---|
| Wie gaat dit gebruiken? | Voor wie de oplossing bedoeld is |
| In welke situatie? | Waar en wanneer de oplossing moet werken |
| Wat zit diegene nu in de weg? | Welk probleem de oplossing moet verhelpen |
| Wat mag niet ingewikkeld zijn? | Welke eigenschappen het belangrijkst zijn |
Zo leert een kind dat een goed idee niet alleen interessant is voor de bedenker. Het moet ook logisch zijn voor degene die het gaat gebruiken.
Bedenk eerst meerdere opties en kies daarna
Als het eerste idee meteen wordt beoordeeld, kan het creatieve denkproces snel vastlopen. Daarom is het handig om in de eerste ronde ideeën te bedenken zonder ze al te beoordelen.
Geef bijvoorbeeld de opdracht om vijf verschillende manieren te bedenken om één probleem op te lossen. Niet elke oplossing hoeft uitvoerbaar te zijn. De ene kan technologisch zijn, de andere mechanisch, een derde kan uitgaan van andere regels en een vierde mag puur fantasierijk zijn.
Bespreek pas daarna welke oplossing het nuttigst, eenvoudigst, interessantst of makkelijkst uit te proberen is.
Beperkingen kunnen creativiteit stimuleren
Een volledig vrije opdracht klinkt aantrekkelijk, maar sommige kinderen weten dan moeilijk waar ze moeten beginnen. Een beperking kan juist een duidelijker kader bieden om binnen na te denken.
Je kunt één of twee voorwaarden aan het ontwerp verbinden:
- de oplossing mag geen elektriciteit gebruiken;
- je moet het met één hand kunnen dragen;
- het moet gemaakt kunnen worden van oude of makkelijk verkrijgbare materialen;
- meerdere mensen moeten het kunnen gebruiken;
- het mag geen onnodig afval opleveren.
Het kind zoekt dan niet zomaar een idee, maar een oplossing binnen bepaalde grenzen. Een beperking verandert de vraag en kan mogelijkheden opleveren die bij volledige vrijheid niet waren bedacht.
Kijk bij oude spullen naar hun eigenschappen
De opdracht om iets nieuws te maken van oude spullen is een goede oefening in het veranderen van een functie. Een doos hoeft geen verpakking te blijven, een plastic bakje hoeft geen bakje te blijven en oud karton hoeft niet alleen afval te zijn.
De vraag ‘Welke eigenschappen heeft dit voorwerp?’ kan helpen. Het kan stevig, licht, doorzichtig, buigzaam, hol of waterbestendig zijn. Vanuit zo’n eigenschap kun je vervolgens een nieuwe toepassing bedenken.
Stevig karton kan bijvoorbeeld dienen als constructieonderdeel, tussenschot, sjabloon of basis voor een prototype. Zo leert een kind een voorwerp niet alleen te zien aan de hand van de naam, maar ook aan de hand van wat je ermee kunt doen.
Een schets laat zien hoe iets werkt, niet hoe mooi het is
Een eenvoudige schets helpt een kind om details op te merken die in het hoofdbeeld nog niet duidelijk waren. De tekening hoeft niet mooi of precies te zijn. Ze moet laten zien wat waar zit, wat beweegt, hoe iets wordt bediend en hoe de gebruiker ermee omgaat.
Stel tijdens het schetsen vragen als:
- Wat is het belangrijkste onderdeel?
- Wat moet bewegen of veranderen?
- Wat doet de gebruiker als eerste?
- Wat gebeurt er daarna?
- Waar kan iets misgaan?
Zo wordt een vaag idee omgezet in een concreter systeem.
Een prototype hoeft geen afgewerkt product te zijn
Soms denken kinderen dat ze iets pas kunnen testen als ze het echt kunnen maken. Een prototype kan echter een heel eenvoudig model zijn van papier, karton, bouwmateriaal of voorwerpen die onderdelen voorstellen.
Ontwerpt een kind een nieuwe manier om te communiceren, dan kan het een set symbolen maken en nagaan of iemand anders die begrijpt. Bij een nieuw hulpmiddel voor school kan het een papieren model maken en het gebruik naspelen.
Het doel van een prototype is niet om af te lijken, maar om te ontdekken wat aan het ontwerp werkt en wat er nog ontbreekt.
Test aan de hand van één concrete vraag
‘We gaan kijken of het goed is’ is te algemeen. Kies liever één vraag. Begrijpt iemand anders deze symbolen? Kan het model van de brug gewicht dragen? Kun je het voorwerp met één hand gebruiken? Is deze werkwijze sneller dan de oorspronkelijke?
Eén vraag maakt het makkelijker om het resultaat te beoordelen. Als de test niet slaagt, weet het kind welk onderdeel van het ontwerp moet veranderen.
Bij een volgende poging is het nuttig om één of twee dingen aan te passen, niet het hele project tegelijk. Zo wordt duidelijker welke verandering effect had.
Bespreek ook de nadelen van een goed idee
Creativiteit gaat niet alleen over voordelen zoeken. Elke oplossing kan ook nieuwe problemen opleveren. Een voertuig dat zich aan het terrein aanpast, kan ingewikkeld zijn. Een communicatiesysteem zonder woorden kan snel zijn, maar ook onduidelijk. Een stad zonder vaste regels kan vrij aanvoelen, maar gezamenlijke situaties kunnen lastiger te regelen zijn.
Laat je kind bij elk ontwerp benoemen:
- wat de oplossing verbetert;
- wat er ingewikkelder door kan worden;
- voor wie de oplossing geschikt kan zijn;
- voor wie de oplossing misschien niet geschikt is;
- wat er moet veranderen om de oplossing bruikbaarder te maken.
Zo wordt creativiteit vanzelf verbonden met kritisch denken, zonder dat kritiek het bedenken van ideeën in de weg staat.
Stel als volwassene vragen voordat je corrigeert
Als een volwassene precies voorschrijft hoe een uitvinding eruit moet zien, kan het resultaat technisch beter worden, maar verschuift het creatieve werk naar de volwassene. Hulp is nuttiger als die het kind naar de volgende beslissing leidt.
Probeer in plaats van ‘doe het zo’ eens:
- ‘Wat wil je hiermee oplossen?’
- ‘Hoe kom je erachter of het werkt?’
- ‘Waarover ben je bij dit ontwerp het minst zeker?’
- ‘Welke andere mogelijkheid kun je bedenken?’
- ‘Wat zou je eenvoudiger maken als je maar de helft van het materiaal had?’
Met zulke vragen blijft de beslissing bij het kind, terwijl het wel houvast krijgt.
Een veelgemaakte fout is een idee te vroeg beoordelen
Bij fantasierijke ontwerpen is het verleidelijk om meteen te bespreken of ze realistisch zijn. Maar als een kind nog mogelijkheden aan het bedenken is, kan een vroege beoordeling het denkproces beperken tot wat al bekend is.
Deel het proces liever op in twee fasen. In de eerste fase mag een idee zich ontwikkelen zonder dat het uitvoerbaar hoeft te zijn. In de tweede fase onderzoek je welke onderdelen ervan in de werkelijkheid kunnen worden toegepast.
Een portaal waarmee je direct kunt reizen is bijvoorbeeld technisch misschien niet uitvoerbaar. Toch kan het de vraag oproepen waarom mensen sneller willen reizen, wat ze lastig vinden aan reizen zoals dat nu gaat en welke andere oplossingen dat probleem kunnen verkleinen.
Een eenvoudige creatieve opdracht voor thuis
Kies af en toe een alledaags probleem en doorloop samen met je kind het hele proces. Daarvoor heb je geen dure materialen nodig.
- Benoem het probleem: wat is onhandig of kan beter?
- Bepaal de gebruiker: wie moet de oplossing helpen?
- Bedenk meerdere mogelijkheden: zonder meteen te beoordelen.
- Kies er één: aan de hand van duidelijke criteria, zoals nut en eenvoud.
- Schets hoe het werkt: niet alleen hoe het eruitziet.
- Maak een eenvoudig model: met materialen die je voorhanden hebt.
- Test één vraag: doet de oplossing werkelijk wat de bedoeling is?
- Pas het ontwerp aan: op basis van het resultaat, niet alleen van het oorspronkelijke idee.
Zo ontdekt een kind dat creativiteit meer is dan bijzondere ideeën hebben. Het is ook het vermogen om een idee om te zetten in een oplossing met een duidelijk doel, die je kunt onderzoeken en stap voor stap kunt verbeteren.